Veelgestelde vragen

Om inwoners en volksvertegenwoordiging te betrekken bij de Regionale Energiestrategie van Metropoolregio Eindhoven, organiseren we regelmatig webinars. Alle vragen die gesteld worden tijdens deze interactieve bijeenkomsten, beantwoorden we in onderstaande documenten. De vragen zijn terug te vinden per thema. 

Factsheets

In de antwoorden op de veelgestelde vragen, wordt regelmatig verwezen naar de factsheets van een energiebron. In een factsheet vindt u beknopte objectieve informatie over de eigenschappen van de energiebronnen en aandachtspunten. Per energiebron zijn links opgenomen naar rapporten en websites met meer informatie.

Volledige vraag
Er is een duidelijke kentering dat naast het besparen, opwekken van energie en warmte winning, ook de energieopslag steeds meer op de voorgrond raakt. Dat is zeker terecht, omdat het elektriciteitsnet niet berekend is op de aanlevering van een grote hoeveelheid energie. Daarnaast is het belang dat energie beschikbaar is op het moment dat het nodig is. Dat vraagt om opslag van energie. Het ongebreideld opzetten van zonneparken is geen optie als de opslag niet goed geborgd is. Belangrijke punten die ik gehoord heb, gebruik de zonneladder en verbruik de energie zoveel mogelijk op de plek zelf, zodat transformatie van energie beperkt wordt. Als deze interpretatie klopt is mijn vraag of de concept-RES hier op aangepast wordt?

Antwoord
In het RES-proces en de contacten met de verschillende stakeholders is innovatie en opslag een belangrijk aandachtspunt. Samen met Brainport Development verkennen we bijvoorbeeld welke trajecten we samen zouden kunnen oppakken. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld als launching customer optreden bij de uitrol van innovatieve producten, zoals lichtgewicht zonnepanelen of dakinstallaties, die zowel zonne- en windenergie opwekken. Ook zien we kansen als gemeenten samen optrekken in gezamenlijke aanbestedingen.

Tegelijkertijd hebben we voor de RES een opdracht gekregen van het Rijk om een onderbouwd bod te doen, waar we in onze regio inschatten dat we grootschalige zon en windinitiatieven kunnen realiseren, met draagvlak van de bevolking. Hiervoor doorlopen we het planMER-traject, zodat we onderbouwde keuzes kunnen maken voor zoekgebieden. Hier wordt ook gekeken naar kosten van aansluiting op het netwerk en of opslag van energie misschien een rol kan spelen. Daarnaast is de zonneladder een belangrijk uitgangspunt. Tot slot wordt volop ingezet op besparing onder andere door aanpakken uit te werken die gemeenten kunnen inzetten om hun inwoners en bedrijven te helpen/stimuleren om energie te besparen.

We zetten dus in op al deze sporen: enerzijds stimuleren van innovaties bijvoorbeeld door het koppelen van gemeenten aan initiatiefnemers en anderzijds het in beeld brengen van kansrijke locaties voor grootschalige opwek en het stimuleren van besparing.

Er vindt landelijk veel afstemming plaats, tussen de regio's en met de ministeries. De coördinatie hiervoor ligt bij het 'Nationaal Programma RES', getrokken door de drie koepels (VNG, IPO, en Unie van Waterschappen) en de ministeries van EZK en BZK. 

Er wordt inderdaad Europees en nationaal gesproken over een aanscherping van de doelstellingen m.b.t. CO2-reductie. Zolang hier nog geen knopen over zijn doorgehakt is in Nederland zijn de ambities uit het Klimaatakkoord leidend, zie ook hier

Dit heeft geen directe consequenties voor de RES, omdat we hier van onderop redeneren: uitgangspunt dat we vanuit de draagkracht van ons landschap bepalen wat haalbaar is voor opwek van duurzame elektriciteit. Daarbij gaan we nu uit van een bijdrage van 2 TWh voor onze regio voor de RES 1.0. Elke 2 jaar vindt er een herijking plaats van de RES. Dan wordt beoordeeld of de doelen en ambities nog ambitieus genoeg zijn. Bovendien is de verwachting dat wij door technologische vooruitgang en opgedane ervaringen nieuwe inzichten krijgen.

Er vindt momenteel overleg plaats tussen bestuurders uit de regionale Stuurgroep RES en Enexis en TenneT (beheerder van het hoogspanningsnetwerk) op directieniveau . Ook landelijk staat dit vraagstuk hoog op de agenda en wordt onderzocht welke stappen we kunnen zetten (bv. aanpassing in wetgeving) om hierin versnelling te krijgen.

MRE faciliteert alleen de samenwerking tussen de gemeenten, heeft geen inhoudelijke standpunten.

Uiteindelijk beslissen 21 gemeenteraden, de waterschappen en de provincie over wat zij afspreken binnen de RES. Zoals in de Startnotitie voor de RES is afgesproken is het uitgangspunt dat alle gemeenten bijdragen. Sancties zijn niet aan de orde. Mochten gemeenten verschillen van inzicht wordt het gesprek aangegaan, in eerste instantie tussen de gemeenten onderling.

Om het klimaatprobleem op te lossen, is het dichtdraaien van de bron, dus realisatie van meer duurzame energie, verreweg het belangrijkst. Als dat niet gebeurt, wordt het aan het einde van deze eeuw 3 tot 5 graden warmer. Herbebossing kan daar maximaal ongeveer een derde graad vanaf halen. De komende 10 jaar gaat de provincie Noord-Brabant de bossen toekomstbestendiger maken. Mede vanwege de rol die bossen spelen in de vastlegging van CO2. Dit staat in de Brabantse Bossen strategie.

Vanuit MRE ligt de focus op het verbinden van partijen. We werken samen met Brainport Development om gemeenten beter te informeren over innovatieve producten en technologielijnen. Doel is te komen tot versnelling van innovaties zoals opgenomen in de Brainport Actie Agenda en daarmee de doelen uit de RES dichterbij te brengen. Binnen de Brainport Actie Agenda wordt onder andere aandacht besteed aan ontwikkelingen rondom batterijen, metalfuels, besparing en het ondersteunen van de waterstoftransitie.

Voor de RES is het uitgangspunt dat we vanuit de draagkracht van ons landschap bepalen wat haalbaar is voor opwek van duurzame elektriciteit, dus van onderop. Daarbij gaan we nu uit van een bijdrage van 2 TWh voor onze regio voor de RES 1.0. Elke 2 jaar vindt er een herijking plaats van de RES. Dan wordt beoordeeld of de doelen en ambities nog ambitieus genoeg zijn. Bovendien is de verwachting dat wij door technologische vooruitgang en opgedane ervaringen nieuwe inzichten krijgen.

De landelijke opgave in het kader van de RES bedraagt 35 TWh aan grootschalige hernieuwbare energie opwek op land. De regio’s zijn aan zet om ieder binnen hun eigen mogelijkheden (dus binnen de regio) een significante bijdrage te leveren aan de energietransitie. Voor onze regio is het uitgangspunt dat de draagkracht van het MRE-gebied leidend is voor ons bod en dat we niet toewerken naar een door onszelf opgelegd bod. Om een realistisch bod te kunnen doen hebben we niet alleen een technische en wettelijke analyse gedaan, maar nadrukkelijk gekeken naar de draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven. Op basis daarvan verwachten we dat we binnen de regio 2 TWh kunnen bijdragen aan grootschalige energie-initiatieven in 2030.

Via onze samenwerking met VNO/NCW en Brainport Development proberen we zoveel mogelijk de verbinding te leggen met het lokale bedrijfsleven. Bij initiatieven voor duurzame opwek kunnen verschillende initiatiefnemers betrokken zijn. Uitgangspunt is dat we streven naar maximale financiële participatie. De huidige wet- en regelgeving biedt weinig ruimte om ruimtelijke opgaven met sociale aspecten, financieel van aard, af te dwingen bij ontwikkelaars. Lokaal eigendom en financiële participatie bij duurzame opwek zien wij als een voorwaarde ten dienste voor onze inwoners. Richting RES 1.0 wordt dit onderwerp uitgewerkt.

In de concept-RES is nog geen keuze gemaakt voor bijvoorbeeld de aanwijzing van concrete zoeklocaties voor grootschalige zon- en windenergie, maar zijn alle mogelijke zoekgebieden in beeld gebracht. De komende maanden doorlopen wij een planMER-traject, dat ruimte geeft om zorgvuldig naar deze zoekgebieden te kijken. Ook vindt afstemming plaats met Enexis. De zoekgebieden met de daaraan gekoppelde potentie aan opwekvermogens worden opnieuw doorgerekend door Enexis Netbeheer. Daarbij wordt gekeken naar de benodigde uitbreidingen en investeringen In het proces staat zorgvuldigheid voorop. Als specifieker naar locaties wordt gekeken komen aspecten als doelmatigheid en leveringszekerheid opnieuw aan de orde.

Momenteel zijn we aan de slag met de acties om te komen tot een RES 1.0. Een plan van aanpak met alle acties inclusief tijdlijn is bijna gereed.

De afspraken en leidende principes uit de RES worden in beleid en regels opgenomen. Dat betekent dat:

  • gemeenten en stakeholders afspraken uit het energiebesparingsplan opnemen in hun beleid;
  • gemeenten de zoekgebieden voor wind die in 2030 ingevuld moeten zijn, verankeren in hun omgevingsbeleid. Ook de provincie en de waterschappen bieden deze ruimte in hun beleid;
  • gemeenten beleid voor zonne- en/of windenergie maken of actualiseren en dit eveneens verankeren in hun omgevingsbeleid;
  • provincie en gemeenten zich inspannen om procedures voor vergunningverlening voor wind- en zonprojecten uit deze strategie voor 2025 af te ronden. De provincie is bevoegd gezag voor windprojecten (tussen 5 en 100 MW) en gemeenten zijn bevoegd gezag voor zonneprojecten (tot 50 MWp). Zij zijn dus verantwoordelijk voor de afwikkeling van procedures over RES-projecten voor 2025;  
  • gemeenten uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte vaststellen. Deze stemmen zij in regionaal verband op elkaar af. De provincie ondersteunt dit via de adviseurs Aardgasvrije Wijken.

Elke twee jaar wordt de RES bijgesteld op basis van nieuwe inzichten, innovaties en ervaringen. Zo ontwikkelt de RES zich stapsgewijs.

De RES gaat over de thema’s gebouwde omgeving en elektriciteit.  We zijn wel in overleg met andere partijen om te zoeken naar meekoppelkansen met andere opgaven, zoals mobiliteit, landbouw, grootschalige industrie, klimaatadaptatie, leefbaarheid en circulaire economie.
 

De energietransitie is een gezamenlijke opgave en iedereen draagt bij, waarbij voor de RES Metropoolregio Eindhoven de regiogemeenten, de provincie en de waterschappen nadrukkelijk aan zet zijn. De opgaven zijn regionaal geformuleerd en worden door de 21 gemeenten gezamenlijk opgepakt, verdeeld en ingevuld. Voor de RES Metropoolregio Eindhoven komen de 21 gemeenten tot onderlinge afspraken. Daarbij realiseren wij ons dat de mogelijkheden en kansen en fasering per gemeente kunnen verschillen.

Wij zien een reeks van opgaven in het buitengebied, zoals de Transitie Landelijk gebied, extensivering, kringlooplandbouw, vrijkomende agrarische locaties en Klimaatadaptatie. Gelet op al deze opgaven in het buitengebied zetten we voor de verfijning van de zoekgebieden naar ontwikkelgebieden in de RES MRE 1.0 (of 2.0) in op het wegen van de milieueffecten in een PlanMER en de koppelkansen.  Door het koppelen van ontwikkelingen verlagen we totale druk op het buitengebied.

In de Concept-RES zijn de zoekgebieden nog heel globaal. Slechts een klein deel daarvan zal ontwikkelgebied worden in de RES MRE 1.0 (of 2.0). In het proces om te komen tot ontwikkelgebieden gaan we alle relevante aspecten betrekken.
 

Ja, in het totale RES-proces zijn er verschillende momenten waarop de RES interacteert met het omgevingsbeleid. Ook in het RES proces zoeken we de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Daarnaast is ook participatie is in het proces richting het verfijnen van de zoekgebieden nadrukkelijk van belang. Gemeenten, waterschappen en provincie zullen naar aanleiding van de RES beleid voor zonne- en/of windenergie maken of actualiseren en dit verankeren in hun omgevingsbeleid.

De zoekgebieden in de concept-RES zijn nog globaal. De zoekgebieden zijn ook nog niet precies begrensd en kunnen in oppervlakte wijzigen. Bovendien kunnen (delen van) gebieden in het vervolgproces afvallen. Op basis van het milieueffectenonderzoek kunnen we inzoomen op de zoekgebieden en de werkelijke intensiteit van energieopwekking met zonnevelden en windturbines toetsen.

Het is geen foutje. Het gebied is aangewezen, ondanks de ligging deels in het beekdal, omdat hier kansen liggen om gebiedsopgaven te combineren, omdat het dicht bij een verdeelstation ligt en er kansen zijn om een project ‘van onderaf’ op te starten in dit gebied. Het is aangewezen omdat we willen onderzoeken of en hoe er toch ruimte kan worden gegeven voor energieopwek, rekening houdend met de kwetsbaarheid van (een deel van) het gebied. Uit de planMER moet blijken of en hoe zonnevelden en/of windmolens milieutechnisch verantwoord kunnen worden gerealiseerd. De kleur die het gebied heeft gekregen zegt op dit moment nog niets over de mate waarin we denken dat dit gebied geschikt is.

Energie kan ingezet worden om bestaande bossen en natuurgebieden uit te breiden en met elkaar te verbinden. Afhankelijk van het type verbinding dat wordt nagestreefd kan worden gekozen voor de aanleg van productiebossen met korte omloop of bossen met hogere natuurwaarde. De productiebossen vormen hierbij als buffer voor zowel de natuurzones als voor de omliggende landbouwgebieden.

Het volgen van een zorgvuldig proces staat voorop om te komen tot keuzes over de opwek van duurzame elektriciteit, met daarbij aandacht voor de ruimtelijke opgaven en inpasbaarheid. Het milieueffectenonderzoek dient als nadere onderbouwing van de zoekgebieden. Met de uitkomsten van de planMER kunnen de zoekgebieden in de RES 1.0 verfijnd worden. De uitkomsten dienen daarom als input voor de raadsbehandeling van de RES 1.0. We streven ernaar de planMER begin 2021 gereed te hebben. We informeren gedurende de procedure over de voortgang en definitieve opleverdatum van de planMER.

Landschappelijk zijn grootschalige zonne- en windturbineparken het beste te verenigen met jonge grootschalige zandontginningen. Dit zijn tevens de gebieden waar kansen liggen voor versterking van de daar aanwezige agrarische economie. Windturbineparken en zonnevelden kunnen in combinatie met landbouw bijdragen aan het behoud van een vitale toekomstbestendige sector in onze regio. In het vervolgproces is het altijd een afweging van opgaven en een onderzoek naar een mogelijke combinatie van opgaven.

Verduurzaming van onze energievoorziening is noodzakelijk én een kans om als regio sterker te worden. De RES zetten wij daarom in als hefboom voor kwaliteitsverbetering. Dit door de energietransitie te koppelen aan andere opgaven en te kijken of de energieprojecten een (deel van de) oplossing kunnen zijn. Voorbeelden zijn verduurzaming van de landbouw, versterking van natuur en het realiseren van een klimaatadaptieve omgeving.

Hierbij staat niet de energieopwekking voorop, maar staan de opgaven centraal die met de revenuen van duurzame energieopwekking aangepakt kunnen worden. De opwekpotentie is hierbij minimaal en staat ten dienste van een andere opgave in een gebied. Kortom; energieopwekking als mogelijke inkomstenbron voor landschapsdiensten, ecosystemen en waterdiensten.

Landschappelijk zijn grootschalige zonne- en windturbineparken het beste te verenigen met jonge grootschalige zandontginningen. Dit zijn tevens de gebieden waar kansen liggen voor versterking van de daar aanwezige agrarische economie. Windturbineparken en zonnevelden kunnen in combinatie met landbouw bijdragen aan het behoud van een vitale toekomstbestendige sector in onze regio.

 

Voor de verdere uitwerking van de leidende principes in de RES MRE 1.0 is bijvoorbeeld al de werkgroep Financiële Participatie gestart. Ook zullen afspraken over de verdeling van de lasten over verder moeten worden uitgewerkt. Daarnaast moet de ruimtelijke kwaliteit in relatie tot duurzame opwek worden geborgd via de verankering in het omgevingsbeleid.

Alle gemeenteraden worden nadrukkelijk betrokken bij de PlanMER, te beginnen met het vaststellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), en bij de RES 1.0. De gemeenteraden nemen vóór 1 juli 2021 een besluit over de RES 1.0. De gemeenteraden gaan over het vaststellen van de ontwikkelgebieden voortkomend uit de PlanMER binnen uw gemeentegrenzen. Daarbij blijft voor alle gemeenten gelden dat zij een reëel aandeel van de totale regionale opgave dienen in te vullen.

Het is ons niet duidelijk wat hier wordt bedoeld. Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend. De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor invulling en realisatie.

Essentieel in de RES is dat 21 gemeenteraden, de twee algemeen besturen van waterschappen en Provinciale Staten in de startnotitie voor de RES hebben aangegeven zelf verantwoordelijkheid te erkennen en te nemen om de gestelde opgave – op tijd – te realiseren. Uitgangspunten is te streven naar een uniforme besluitvorming in alle colleges, dagelijkse besturen, staten, raden en algemene besturen. Het voeren van overleg is het belangrijkste middel om eventuele verschillen van inzicht op te lossen. Uiteindelijk is elk betrokken overheidsorgaan autonoom in de besluitvorming.

Als bron voor het energieverbruik is uitgegaan van de Klimaatmonitor (energieverbruik 2017).

Op basis van de beschikbare data (Klimaatmonitor) komen we uit op een verbruik van 14,25 TWh (per 2017).

Er is veel afstemming met andere regio’s, met name de andere regio’s in Brabant en de regio Noord- en Midden-Limburg. Daarnaast wisselen we ervaringen uit met de andere RES-regio’s via het landelijk programma voor de RES-sen. Iedere regio heeft zijn eigen aanpak gekozen, passend bij de eigen regionale identiteit. Uniek aan onze samenwerking is uiteraard de innovatie-kracht binnen onze Brainport-regio. We zullen de samenwerking met Brainport en de kennisinstellingen in onze regio in de fase naar RES 1.0 verder gaan intensiveren.

Met name het traject van de planMER en de participatiebijeenkomsten heeft de Kempengemeenten veel kennis gegeven en ook de mogelijkheid geboden om bepaalde keuzes te baseren op feitelijkheden. Daarnaast heeft het zorgvuldig doorlopen traject in de Kempen gezorgd voor meer draagvlak onder inwoners en stakeholders, gezien zij uitgenodigd waren voor bijvoorbeeld zon- en windsafari’s, informatiebijeenkomsten, presentatieavonden en participatiebijeenkomsten. Op deze manier kregen ze ook zelf inzicht omtrent de materie en konden ze de resultaten van de verschillende onderzoeken inzien/bediscussiëren. Aspecten waar we in de Kempen nog tegenaan lopen hebben bijvoorbeeld te maken met de netcapaciteit in bepaalde gebieden, wet- en regelgeving maar ook het stimuleren van lokale initiatieven voor grootschalige zonne- en windprojecten (bijv. coöperaties).

Gemeenten hebben natuurlijk geen identiek beleid. Zo spelen er in landelijke gemeenten andere belangen en ambities dan in stedelijke gemeenten. Ook de mogelijkheden ten aanzien van het realiseren van de energietransitie verschillen per gemeente. De overeenkomst is dat vrijwel iedere gemeente de ambitie koestert om energieneutraal te worden. Dit houdt in dat alle energie uit duurzame / hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. Een klein aantal gemeenten formuleert dit iets anders, namelijk in termen van ‘klimaatneutraal’. Dit betekent dat bij het opwekken van energie geen broeikasgassen worden uitgestoten. De ambities ten aanzien van tijdsbestek waarin deze doelstellingen worden verwezenlijkt, lopen ook uiteen. Sommige gemeenten hebben de ambitie om dit in 2025 te realiseren, terwijl andere gemeenten dit voor 2050 willen.

De opgave van het Rijk aan de 30 RES-regio’s is om, vóór 2030, 35 TWh aan grootschalige opwek met zon en wind te realiseren, omdat dit bewezen technieken zijn. Andere technieken zijn nog niet voldoende doorontwikkeld en mogen dan ook niet worden meegeteld in het het bod per RES-regio voor 2030.

De inzet van nieuwe technieken vanaf 2030 richt zich op de nog veel grotere opgave voor duurzame opwek van elektriciteit richting 2050 en na het verstrijken van de 25 jaar het (deels) invullen van die 35 TWh met andere technieken.

Beide. De verduurzaming van de energie-opwek vraagt ook om aanpassingen aan het elektriciteitsnet. In het kader van de concept-RES is onderzocht wat de impact is van de verschillende zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwek via zon en wind op het net met betrekking op tijd, geld en ruimtebeslag. Er is onderzocht wat de doorlooptijden zijn voor aanpassingen aan het netwerk (aanpassingen bestaande stations en realisatie nieuwe stations), wat het verwachte ruimtebeslag is van de uitbreidingen en wat de maatschappelijke kosten zijn om de aanpassingen te realiseren. Ook in de komende fase wordt verder onderzoek uitgevoerd.

De RES komt voort uit afspraken in het klimaatakkoord. Uitgangspunt is dat in 2050 in ons land de CO2-uitstoot met 95% gereduceerd moet zijn ten opzichte van 1990. Tussentijds is het streven om in 2030 de uitstoot van CO2 met 49% gereduceerd te hebben.

De landelijke aanpak geldt voor groen gas (opwaarderen van biogas naar groen gas met aardgaskwaliteit). De aanwezigheid van en mogelijke toepassing en verdeling van biogas maakt onderdeel uit van onze RES. Hierop kan dus wel op regionaal en/of lokaal niveau actie gezet worden.

Op basis van ons regionale verbruik en aantal inwoners zou het Rijk een aandeel van ongeveer 1,7 TWh van de MRE-regio kunnen verwachten in de landelijke opgave van 35 TWh. Met die extra 0,3 TWh laten we zien dat we als regio ambitie hebben en dat we de verantwoordelijk nemen voor de extra elektriciteitsvraag die op ons afkomt. Denk daarbij aan zaken als forse groei van elektrisch vervoer, de woningbouw opgave van de regio en Eindhoven in het bijzonder (alles gasloos) en elektrificatie van de warmtevraag. 

Alle gemeenteraden in de MRE-regio hebben in de Startnotitie RES MRE met elkaar afgesproken dat we RES als een opgave van ons alle zien, waaraan iedere gemeente zijn bijdrage levert. Dit hebben we in de Concept-RES nog een keer vastgelegd.

Wij zien ons bod als een regionaal bod. Daarom verdelen wij dat ook niet expliciet over gemeenten, zoals sommige andere RES-regio’s wel hebben gedaan. De betrokken overheden moeten de RES vertalen naar hun omgevingsvisie en -plannen en (lokaal) beleid opstellen.

In de verdere uitwerking naar de RES 1.0 en zo nodig doorlopend richting RES 2.0 komen we op basis van een PlanMER, waarin alle gemeenteraden en inwoners worden betrokken, tot mogelijke ontwikkelgebieden.

Van de gemeenten wordt verwacht dat dat tijdig (uiterlijk 2025) de vergunningen worden afgegeven om de realisatie voor 2030 mogelijk te maken. De 21 gemeenteraden, de twee algemeen besturen van waterschappen en Provinciale Staten hebben aangegeven zelf verantwoordelijkheid te erkennen en te nemen om de gestelde opgave – op tijd – te realiseren.

De RES wordt uitgewerkt op basis van onze leidende principes: een kader van (maatschappelijke) uitgangspunten, richtinggevende afspraken en hoofdlijnen. Deze zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de Concept-RES en vormen de basis voor beleids- dan wel uitvoerings-afspraken die de komende periode worden uitgewerkt.

In De Kempen is de PlanMER al uitgevoerd. Daaruit blijkt dat bij de verfijning van zoekgebieden naar ontwikkelgebieden, door het uitvoeren van de PlanMER, gemiddeld 22 % van de zoekgebieden overblijft als ontwikkelgebieden. Om tot een realistisch bod voor de regio te komen is dit percentage dan ook losgelaten op alle zoekgebieden in de MRE regio. Op basis van de draagkracht voor zonneparken voor de verschillende landschapstypen en de wettelijke technische beperkingen ligt het totale potentieel van de zoekgebieden tussen de 4,4 en 5,4 TWh. 22 % van het gemiddelde is 1,1 TWh: de bijdrage in nieuw te realiseren zonne- en windparken als deel van het bod van 2 TWh.

Nee, de deelregio’s hebben niet bottom-up aangeleverd. Er is globaal bekeken wat er in de benoemde zoekgebieden aan energie-opwekking zou kunnen worden ingepast onder voorwaarden van behoud van ruimtelijke kwaliteit en koppeling met andere opgaven. Die inschatting is ook voor De Kempen gemaakt met behulp van informatie uit onderzoeken die al voor dit gebied waren uitgevoerd.

Het is aan de voorkant een bewuste keuze geweest van de gemeenten, provincie en waterschappen die hierin samenwerken om geen verdeling over de gemeenten af te spreken. Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend.

In het klimaatakkoord is afgesproken dat 70% van het elektriciteitsgebruik in 2030 duurzaam is. Dit wordt verdeeld over 49 TWh wind op zee, 35 TWh grootschalig op land en 7 TWh kleinschalige zon op dak. Met het bod geven we invulling aan de 35 TWh grootschalige energieopwekking op land en daarmee de verduurzaming van het Nederlandse elektriciteitsgebruik.

Voor de gebouwde omgeving is tevens afgesproken dat er in 2030 1,5 miljoen woningen of equivalenten van het aardgas zijn afgekoppeld en over gaan op een duurzame warmteproductie. Deze opgave komt bovenop de elektriciteitsopgave, maar kan deels opgelost worden met het opwekken van duurzame elektriciteit. Voor de duurzame warmte opgave stelt elke gemeente eind 2021 een transitievisie warmte op. Hierin geeft elke gemeente aan welke mogelijkheden zij per gebied zien voor duurzame warmte. Tegelijkertijd wordt er al gestart met de eerste pilotwijken in Eindhoven en lopen er aanvragen voor pilotwijken in Laarbeek en Helmond.

Wat de opgave wordt voor de duurzame warmte is nog niet te zeggen. Dit hangt af van de aanwezigheid van lokale duurzame bronnen en de uiteindelijke keuze voor een specifieke bron. Elk type warmtebron bepaalt de randvoorwaarden voor een succesvolle implementatie. Een oplossing met elektriciteit vraagt bijvoorbeeld veel meer isolatie dan een warmtenet, waardoor er uiteindelijk minder energie nodig is om te komen tot een duurzaam verwarmde omgeving. Niet elke woning is echter geschikt voor elke warmtebron en niet elke warmtebron is overal beschikbaar. Daarbij kan de keuze voor een specifieke warmtebron ook beïnvloed worden door andere voorwaarden zoals de maatschappelijke kosten van de infrastructuur, draagvlak in de wijk, etc.
 

Op basis van het energieverbruik en het aantal inwoners mag het Rijk een aandeel van ongeveer 1,7 TWh van de MRE-regio verwachten in de landelijke opgave van 35 TWh. Het bod van de MRE-regio in de concept-RES is 2,0 TWh. Dit is realistisch als we kijken naar de draagkracht van het landschap en de initiatieven die al gerealiseerd en gepland zijn. Met die extra 0,3 TWh laten we ook zien dat we als regio ambitie hebben en dat we de verantwoordelijk nemen voor de extra elektriciteitsvraag die op ons afkomt. Denk daarbij aan zaken als forse groei van elektrisch vervoer, de woningbouwopgave van de regio en Eindhoven in het bijzonder (nieuwbouw, dus alles gasloos) en elektrificatie van de warmtevraag.  

Voor de opgave van de 35 TWh grootschalige opwek op land heeft de Rijksoverheid al rekening gehouden met de veranderingen in het elektriciteitsgebruik in Nederland. Het bod van de 2 TWh is dus onderdeel van de landelijke opgave.  Het CBS en het PBL toetsen dit landelijk aan de verwachte groei van het elektriciteitsgebruik. Er is gekozen om dit regionaal niet opnieuw te toetsen.

Het elektriciteitsverbruik zal landelijk en regionaal groeien, doordat de warmte- en brandstofvoorziening van mix gaat veranderen. In deze mix zal elektriciteit een rol spelen, maar onduidelijk is nog hoeveel. Voor de warmteopgave verwachten we dat circa 1/3 woningen in deze regio over zal gaan naar een elektrische warmtepomp. In de transitievisies warmte (eind 2021) zal per gemeente een eerste inschatting gemaakt worden of deze verwachting klopt. Deze schattingen zijn echter nog onvoldoende zeker om  vast te stellen dat dit ook de oplossing gaat zijn. Voor investeringen in het netwerk is ook veel meer zekerheid nodig dat een gebied ook daadwerkelijk gebruik gaat maken van elektriciteit als warmtebron. Voor de uitwerking van onze regionale plannen is de onzekerheidsmarge nog dermate groot, dat we nog geen betrouwbare inschatting kunnen maken over het elektriciteitsgebruik in 2030 en 2050. In de komende jaren zullen de beleidskeuzes van de gemeente een steeds beter beeld geven in hoeverre elektriciteit een oplossing gaat zijn voor duurzame warmte. Dan kunnen we ook beter inschatten wat de daadwerkelijke groei gaat zijn van het elektriciteitsgebruik.
 

De 2 TWh in ons bod is gebaseerd op de draagkracht van het landschap, in relatie tot de landelijke opgave die we hebben gekregen om in totaal 35 TWh aan grootschalige duurzame energie te realiseren. De warmtetransitie kan zorgen voor een toename aan elektriciteitsvraag, waardoor wellicht in de toekomst een nog hogere opgave bij de regio’s komt te liggen.

Met de gemeenten en externe stakeholders hebben we stap voor stap de volgende vragen doorlopen:

  1. Wat past binnen ons landschap?
  2. Waar zijn kansen voor koppeling met andere opgaven?
  3. Wat is er mogelijk binnen wetgeving?
  4. Wat is de impact op het elektriciteitsnetwerk? Waarbij we een onderscheid kunnen maken tussen de mogelijkheden in aansluiting vóór en na 2030.

Op basis van deze analyses zijn kaarten gemaakt waarin de volgende belangrijke opties voor grootschalige duurzame opwek naar voren komen:

  • Zoekgebieden waar no regret-initiatieven kunnen worden opgepakt: maatregelen die je altijd zou moeten nemen (zoals zon op grootschalige daken)
  • Zoekgebieden waar een significante bijdrage kan worden geleverd met duurzame energie initiatieven (zonnevelden en windmolens)
  • Zoekgebieden waar duurzame initiatieven kunnen worden opgepakt ten dienste van een andere ontwikkeling, zoals natuurontwikkeling
  • Deze kaarten zijn in de concept-RES terug te vinden.

Op basis van de kaarten komen we tot een bod van 2 TWh. Dit kan als volgt onderbouwd worden:

  • We schatten in dat met de ‘no regret’-maatregelen 0,2 TWh gerealiseerd kan worden.
  • We hebben circa 0,7 TWh aan projecten ‘in de pijplijn’ zitten.
  • De maximale potentie van de regio op basis van de zoekgebieden is tussen circa 4,4 en 5,4 TWh.
  • We willen als Brainport regio onze innovatiekracht inzetten.

Op basis van bovenstaande overwegingen is bestuurlijk de keuze gemaakt om in te zetten op een bod van 2 TWh.

Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking re realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend. We hebben geen verdeling afgesproken over de gemeenten.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de decentrale overheden verantwoordelijk zijn voor een gedragen verdeelsystematiek als blijkt dat de nationale opgave onverhoopt niet gehaald wordt. Deze verdeelsystematiek is dus alleen nodig als de RES’en samen niet tot de doelstelling van 35 TWh optellen. Wij kunnen als regio het bod van 2 TWh goed onderbouwen, dus verwachten niet dat we een extra opgave opgelegd krijgen.

De landelijke opgave in het kader van de RES bedraagt 35 TWh aan grootschalige hernieuwbare energie opwek op land. De regio’s zijn aan zet om ieder binnen hun eigen mogelijkheden een significante bijdrage te leveren aan de energietransitie. Voor onze regio is het uitgangspunt dat de draagkracht van het MRE-gebied leidend is voor ons bod en dat we niet toewerken naar een door onszelf opgelegd bod. Om een realistisch bod te kunnen doen hebben we niet alleen een technische en wettelijke analyse gedaan, maar nadrukkelijk gekeken naar de draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven. Op basis daarvan verwachten we dat we 2 TWh kunnen bijdragen aan grootschalige energie-initiatieven in 2030.

Isoleren is altijd een goed idee; hiervoor is ook subsidie beschikbaar. Zie verder voor tips het regionale Energieloket

Het open houden van ramen is een tijdelijke maatregel; voor de langere termijn is isoleren altijd interessant.

Veel gemeenten zijn al bezig met initiatieven om het gedrag van mensen te beïnvloeden.  Bijvoorbeeld via een project als de Groene Zone waarmee inwoners volledig ontzorgd worden bij de aanschaf van zonnepanelen. Om de gemeenten in de regio hierin te ondersteunen wordt vanuit de werkgroep Besparing toegewerkt naar besparingsplannen voor de doelgroepen Wonen, Bedrijven en Maatschappelijk Vastgoed. Voor de doelgroep Wonen wordt de samenwerking gezocht met de lokale energiecoöperaties (voor de particuliere woningen) en met de woningcorporaties (voor de huurwoningen).

De werkgroep Energiebesparing is voor de verdere uitwerking gestart met het opstellen van een klantreis per doelgroep. Doelgroepen zijn woningcorporaties, particuliere verhuurders, VVE’s en particulier woningen. Er is dus al een verschillende aanpak voor appartementen, rijtjes woningen en particuliere woningen (in hoofdzaak tweekappers en vrijstaande woningen).

Hierin worden stakeholders zoals woningcorporaties, energiecoöperaties, Buurtkracht en bewonersinitiatieven in betrokken.

In de Concept-RES in paragraaf 2.1, onder punt 3  (pagina 16) is expliciet de zonneladder opgenomen in het afwegingskader.

Wij hebben ook in de MRE-regio de grootverbruikers in beeld. Dit zijn provinciale inrichtingen en vallen dus onder provinciaal gezag. In 2019 zijn alle provinciale vergunningen aangepast en worden de energiebesparingsactiviteiten meegenomen.

Aan het totale energieverbruik van Mobiliteit wordt in MRE 6,3 TWh verbruikt. Het trekkerschap voor de energie-opgave voor Mobiliteit ligt echter bij het Rijk en de ‘Klimaattafel mobiliteit’ en daarmee niet bij de regio.

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft hier een berekening voor gemaakt, maar de details zijn onbekend bij de regio’s. Ze gaan bij de berekening er van uit, dat deze ingerekende besparing gerealiseerd wordt tijdens de transitieperiode.

Hoe we gaan monitoren is onderdeel van het proces tot de RES 1.0. Het gaat namelijk om 2 verschillende zaken die gemonitord moeten worden.

  • Het effect van de maatregelen door het verminderen van het energieverbruik en daarmee CO2 reductie. Hiervoor blijft de klimaatmonitor de beste insteek. Regionaal onderzoeken we of we hier de gemeenten mee kunnen ontzorgen.
     
  • Het registreren van activiteiten en aanpakken van gemeenten. Deze monitoring is lastiger, omdat het de beweging moet vastleggen waar gemeenten maar een faciliterende rol in hebben. Ter illustratie: een inwoner die direct een aannemer inschakelt om te isoleren komt nergens in de systemen voor, maar is wel onderdeel van de beweging. Voor een goed voorbeeld kijken we hier zeker ook naar de tools die landelijk en provinciaal worden ontwikkeld. Als deze verder uitgewerkt zijn zullen we kijken of en op welke manier we de activiteiten willen monitoren.

Het meten van het effect van de activiteiten in de energietransitie is bij besparing erg lastig, omdat de gemeente geen zicht heeft op veel variabelen.

Het meten van de informatie moet wel daadwerkelijk iets bijdragen aan de mogelijkheden om te sturen op de opgave en qua capaciteit behapbaar zijn. Anders weegt de meerwaarde van het meten niet op tegen de kosten.

In de RES voor het MRE is besparing een belangrijk thema.  Als regio willen we een ambitieuze en haalbare doelstelling realiseren. We stellen energiebesparingsplanen op om zoveel mogelijk CO2 te besparen door:

  • het beperken van de warmtevraag (o.a. isolatie);
  • het beperken van de elektriciteitsvraag (o.a. installaties);
  • gebouw-gebonden energieopwekking.

Dit betekent dat de besparing die gerealiseerd wordt in het kader van de RES geen invloed heeft op de hoeveelheid op te wekken duurzame elektriciteit of warmte in ons bod richting het Rijk. Desalniettemin heeft alle extra besparing bovenop de autonome (landelijke) aanname wel degelijk invloed op de te realiseren duurzame opwek: alles wat je bespaart hoef je immers niet op te wekken.

Uitgangspunt is het in beweging brengen van de mensen. De maatregelen die men kan nemen verschillen per bouwperiode, ontwerp van de woning en in verleden gemaakte keuzes. De RES geeft dus geen technisch advies wat mogelijk is in de woning. Het kijkt naar aanpakken om mensen in beweging te krijgen en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn. De randvoorwaarden of acties kunnen verschillen bij andere typen woningen.

We stellen energiebesparingsplannen op in het kader van de RES om zoveel mogelijk CO2 te besparen. Dit doen we om onze inwoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen in beweging te krijgen. In de (concept)-RES geven we aan welke strategie we volgen om tot de energiebesparingsplannen te komen. Dat gebeurt in nauwe samenwerking met de verschillende doelgroepen en stakeholders. Op basis van succes- en faalfactoren wordt een gerichte aanpak geformuleerd, rekening houdend met de variëteit aan doelgroepen.

De besparingsopgave geldt voor alle regio’s in Nederland. Tussen regio’s wordt er actief kennis uitgewisseld om te leren van elkaar hoe de opgave het beste opgelost kan worden.
 

De MRE zet in op het in beweging krijgen van inwoners om energie te besparen. Hiermee sluiten we aan bij de leefwereld van de inwoners en de leerlessen die zijn gedaan van eerdere energiebesparingsprojecten sinds de blok-voor-blok aanpak. Verduurzamen gaat voor de meeste mensen in kleine stappen met een ‘bouwstop’ tussen maatregelen. Vele kleine maatregelen maken samen grotere stappen.

Er is  bewust gekozen om (vooralsnog) geen besparingspercentage centraal te zetten. Het besparingspercentage is per individuele woning of bedrijf verschillend en is achteraf niet te meten in relatie tot de genomen maatregelen. Voorop staat het daadwerkelijke gesprek met belanghebbenden dat ze consequent stappen moeten zetten naar een steeds duurzamer bedrijf, woning of kantoorpand.

In de concept-RES is een apart hoofdstuk gewijd aan besparing. Door de komende jaren vol in te zetten op energiebesparing en daarmee zo snel mogelijk te beginnen, willen we voorkomen dat onze regionale opgave voor duurzame energie-opwek en de warmtetransitie nog groter wordt dan ze al is. De rol van de regio en de gemeenten hierbij is om hierin het initiatief te nemen en te faciliteren, stimuleren en regisseren, waarbij rekening gehouden wordt met landelijke ontwikkelingen en acties op het gebied van besparing. Er wordt voor het vervolg toegewerkt naar besparingsplannen voor de doelgroepen Wonen, Bedrijven en Maatschappelijk Vastgoed.

1 liter ijzerpoeder even veel als ½ liter benzine.

Je moet waterstof gebruiken waar het kan, maar het is niet altijd eenvoudig. Voordelen zijn compactheid, gemak in gebruik, niet gevaarlijk. Waterstof is veel moeilijker in grote hoeveelheden op te slaan en veel gevaarlijker. Bijvoorbeeld in de stad wil men geen enorme waterstof tanks plaatsen (zie de pilot met Uniper/EON in Rotterdam), daar is ook veel minder ruimte om de brandstof op te slaan. Als er een grote opslag caverne aanwezig is (bijvoorbeeld in Noord-Nederland) dan is waterstof makkelijker, maar de grootste caverne in de wereld is ook na 10 dagen leeg (quote Uniper), dus opslag is dan makkelijker en veel compacter mogelijk. Als laatste import van duurzame energie uit landen waar veel is (rond de evenaar) is veel makkelijker en goedkoper met poeder (veel compacter), en we weten dat we zelf te weinig ruimte hebben om al onze energie zelf te produceren, dus import is onvermijdelijk, ook al praat men daar (nog) niet over.

Dat ligt aan de toe te passen techniek. Typisch is dit 60-70% (vergelijkbaar met de vorming van waterstof).

Bodemenergie wordt ook als bron onderzocht in de RES. Zie verder ook de overige vragen onder het kopje 'warmte'.

Gemeenten worden hier vanuit de regio bij ondersteund. Ook landelijk is veel informatie beschikbaar, bijvoorbeeld hier

Biomassa is ook benoemd als mogelijke energiebron in de RES (onder het hoofdstuk warmte).

Hierbij volgen we de landelijke lijn dat bij nieuwbouw gasloos bouwen verplicht is. 
Waterstof kan pas voldoende geproduceerd worden als een ruimte hoeveelheid groene stroom beschikbaar is. Er is de komende periode nog maar een beperkte hoeveelheid waterstof beschikbaar, en daarbij wordt gekeken naar sectoren waar weinig alternatieven voor waterstof beschikbaar is, zoals in de industrie.

Bij nieuwbouw is het een stuk gemakkelijker een huis gasloos te maken dan bij een bestaand huis. Er hoeft niet van alles aangepast te worden in het huis, maar al vanaf begin van de bouw kan er rekening worden gehouden met bijvoorbeeld de plaatsing van een warmtepomp.

Met de gewijzigde Gaswet is nieuwbouw zonder gasaansluiting per 1 juli 2018 de norm. In de transitievisie warmte zal vastgesteld moeten worden welke vorm van techniek toegepast gaat worden. Op basis daarvan kan de netbeheerder of andere partij infrastructuur ontwikkelen. 
 

Nee, het uitgangspunt is dat bij de bestaande woningbouw passende duurzame bronnen en infrastructuur gezocht worden. Als dat niet kan, wordt gekeken of de bestaande woningbouw verduurzaamd kan worden.

Er wordt door gemeenten naar de lokale situatie gekeken welke warmtevraag er is en warmtebronnen daarvoor beschikbaar zijn.

Als er meerdere gemeenten gebruik willen maken van een warmtebron, dan kunnen we daar regionaal afspraken over maken. Compensatieregelingen horen daar vooralsnog niet bij.

Deze ontwerpen horen bij uiteindelijke warmteprojecten die meestal lokaal plaatsvinden.

Ja, er wordt gekeken of dat medium efficiënt toegepast wordt en of dit de optimale toepassing is.

De mogelijke risico’s van de toepassing van geothermie liggen met name in mogelijke effecten op het grondwater door verontreiniging door boorfouten, vanwege de aanwezigheid van oude olie- en gasputten of door  thermische effecten.

CE Delft berekent een gemiddelde elektrificatie van 25% voor Nederland. (CE Delft, een klimaat-neutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving – update 2016)

Het scenario waarin iedereen een warmtepomp heeft zal een elektrificatie van rond 40% van de warmtevraag vereisen. We hebben het gemiddelde genomen van deze 2 cijfers omdat we zien dat warmtenetten voor een groot deel van de regio niet haalbaar zal zijn.

In ons verslag staan de percentages van elektrificatie per warmtebron.

Techniek

% Elektrisch

Thermische energie uit oppervlaktewater

36

LT aardwarmte

27

Diepe geothermie

14

Biomassa

17

LT restwarmte uit industrie

41

HT restwarmte uit industrie

7

WKO

47

Biogas

0


Voor de toekomstige warmtevoorziening zal gebruik worden gemaakt van verschillende bronnen. Voor de benutting van deze bronnen is in de meeste gevallen elektriciteit nodig. Dit levert op RES niveau een extra elektriciteitsvraag op, die afhankelijk is van de keuzes voor warmtebronnen (zie tabel 3.3). Hoe groot de extra elektriciteitsvraag zal zijn is niet op voorhand bekend. Deze keuze wordt inzichtelijk gemaakt in de Transitievisies Warmte en uiteindelijk zal in de Wijkuitvoeringsplannen de definitieve keuze voor een warmtebron gemaakt worden.

De energetische potentie en de mogelijkheden van het gebruik van bodemwarmte (ondiep en diep) wordt meegenomen. De eisen die daarbij gelden, onder meer ter bescherming van de omgeving en het milieu, zijn meestal op landelijk en provinciaal niveau vastgesteld. Toepassing van die systemen wordt via vergunningstelsels gereguleerd.

Jazeker. Er zijn nog wel veel vragen over de potentie van geothermie in onze regio. Verschillende onderzoeken hiernaar lopen nog (van Rijk en Provincies). We hopen in 2021 meer zicht te hebben op de mogelijkheden.

Warmte is een belangrijk onderdeel.

Voor 2050 moeten in de MRE-regio 350.000 huizen en 50.000 gebouwen goed geïsoleerd worden en van duurzame warmte en schone elektriciteit worden voorzien. Gemeenten hebben een regierol in deze lokale warmtetransitie. Gemeenteraden stellen daarvoor uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte (TVW) vast met plannen voor het isoleren en/of aardgasvrij maken van deze  woningen en gebouwen in de periode tot en met 2050. De TVW wordt concreet uitgewerkt in uitvoeringsplannen (op buurt,  wijk, of warmtekavelniveau). In de uitvoeringsplannen besluiten gemeenten over het alternatief voor aardgas.

Naast het gemeentelijk schaalniveau is het regionale schaalniveau van belang voor het slagen van de warmtetransitie. Op het regionale niveau kunnen partijen zorgen voor een efficiënte inzet van bovenlokale bronnen, infrastructuur en het betrekken van bovenlokale stakeholders. Dit niveau wordt als onderdeel van de  RES 1.0 uitgewerkt in de Regionale Structuur Warmte (RSW).

Bij het maken van plannen voor het plaatsen van windturbines in Nederland spelen geluidhinder en andere vormen van hinder voor omwonenden een belangrijke rol in het gesprek daarover.

Geluidbeleid in Nederland
Om nadelige gezondheidseffecten als gevolg van geluid te voorkomen zijn in Nederland normen opgesteld die een bepaalde kwaliteit van de leefomgeving waarborgen. Tegelijkertijd wordt er een zekere mate van hinder geaccepteerd en geven deze normen aan welke mate van hinder acceptabel is. Lees op de website van RIVM meer over het geluidbeleid in Nederland. Het RIVM schreef in juni 2020 de publicatie ‘Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018): Het doel heiligt de middelen’ over de mogelijkheden om het huidige geluidbeleid in Nederland te verbeteren op basis van nieuwe inzichten van de WHO over de gezondheidseffecten van geluid.

Geluid van windturbines
Het RIVM publiceerde in oktober 2020 een rapport (in het Engels, vertaling wordt binnenkort verwacht) over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden, in samenwerking met Mundonovo sound research. Voor dit rapport is grondig gekeken naar de wetenschappelijke literatuur over het effect van windturbinegeluid op hinder, slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling. Ook is bekeken wat bekend is over hinder door het zicht op windturbines en andere factoren die niet met geluid te maken hebben, zoals het lokale besluitvormingsproces.

Uit de studie blijkt dat er hinder optreedt voor omwonenden als gevolg van het geluid van de windturbines: hoe sterker het geluid (in dB), hoe groter de hinder ervan. ‘Laagfrequent geluid’ (lage tonen/bromtonen) zorgt daarbij niet voor extra hinder in vergelijking met ‘gewoon’ geluid, zo bleek uit de literatuur.

Voor andere gezondheidseffecten zoals slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de hinder.

Ten slotte laat de literatuur zien dat omwonenden minder hinder ondervinden van de windturbines als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan, er (financieel) voordeel bij hebben of controle kunnen hebben (zoals een knop om de turbine stil te zetten).

Daar houden we zeker rekening mee. Nu al bij planvorming, maar ook later bij de realisatie van een windturbinepark. De Metropoolregio Eindhoven stelt namelijk een milieueffectrapport (planMER) op ter onderbouwing van de zoekgebieden voor grootschalige zonnevelden en windturbines. Het planMER helpt om alle (ruimtelijke) belangen en claims zichtbaar te maken en onderling af te wegen, wat de regio helpt om zorgvuldige locatiekeuzes te maken voor windturbines. Een belangrijk onderwerp in het planMER is ecologie, waar ook soortenbescherming deel van uitmaakt. Hierbij onderzoeken we drie verschillende beschermde soortgroepen: effect op broedvogels, effect op wintervogels en effect op overige beschermde soorten.

Bovendien kunnen zogeheten mitigerende maatregelen getroffen worden. Mitigerend betekent het (gedeeltelijk) voorkomen of verzachten van negatieve effecten. De eerder genoemde zorgvuldige locatiekeuze is daar aan de voorkant een voorbeeld van. En op het moment dat er een concreet windinitiatief is moet er nog een gedetailleerde project-m.e.r. worden uitgevoerd. Daarbij wordt in meer detail onderzocht wat de effecten op bijvoorbeeld ecologie zijn en welke mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden. Denk hierbij ook aan technische beperkingen, zoals de stilstandvoorziening. Daarnaast kunnen eisen gesteld worden aan de opstelling van het windpark of aan de hoogte of het aantal windturbines passend bij dat specifieke gebied.

Lange tijd was het niet mogelijk om zonnepanelen te plaatsen op rijksmonumenten. Sinds dit jaar is plaatsing van zonnepanelen, onder voorwaarden, mogelijk op een groot aantal rijksmonumenten.De panelen mogen nu op de daken van rijksmonumenten geplaatst worden, mits deze het aanzien (beeld) van het monument niet ernstig verstoren.

We streven ook naar zo veel mogelijk zon op dak. Die opwek is niet voldoende. De landelijke opdracht voor opwek van 35 TWh houdt al rekening met veel zon op dak. De 35 TWh komt daar dus bovenop.

Op zee is de opgaaf 45TWh op land dus 35TWh. Dit is onderverdeeld in windenergie, Zon op dak en Zon op Land. De zonneladder geeft volgorde aan. zie ook motie Provincie Noord Brabant.

Voor de inzet van waterstof wordt de komende periode inderdaad eerst gekeken naar sectoren waar weinig alternatieven voor waterstof beschikbaar is, zoals in de industrie; niet voor woningbouw.

Uitgangspunt voor de RES is de opwekking van energie via zon- en windparken: hiermee zijn de klimaatdoelen haalbaar. Kernenergie is geen oplossing voor de korte termijn. Op dit moment zijn er geen bedrijven die hierin willen investeren en de bouw van een centrale duurt ongeveer 20 jaar. Zie ook de factsheet Elektriciteit.

In het Klimaatakkoord is het doel opgenomen dat in 2030 de CO2-uitstoot met 49% is afgenomen ten opzichte van de uitstoot in 1990. In 2050 moet de uitstoot met 95% verminderd zijn. Voor de elektriciteitssector is hiervoor het doel gesteld dat de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen wordt opgeschaald naar 70% van de totale opwek, ofwel 84 TWh in 2030. Van de 84 TWh aan grootschalige hernieuwbare elektriciteitsproductie in 2030 wordt 49 TWh gerealiseerd door een uitbreiding van productie van windenergie op zee. Er is dus nog 35 TWh aan grootschalige hernieuwbare elektriciteitsproductie op land nodig.

Samen met Brainport Development verkennen we welke trajecten we samen zouden kunnen oppakken. Om daarmee de in de Brainport Actieagenda opgenomen innovaties te versnellen en het realiseren van de doelen van de RES dichterbij te brengen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld als launching customer optreden bij de uitrol van innovatieproducten, zoals lichtgewicht zonnepanelen of dakinstallaties, die zowel zonne- en windenergie opwekken. Ook zien we kansen als gemeenten samen optrekken in gezamenlijke aanbestedingen.

Het is inderdaad het meest efficÍent als de energie zoveel mogelijk wordt gebruikt in de buurt van waar de energie wordt opgewekt, en in de plannen is dit ook zoveel mogelijk het uitgangspunt.

We kijken ook naar alternatieven, bijvoorbeeld tijdelijke opslag en terug leveren buiten piekmomenten, afkoppelen op piekmomenten, inzetten van noodvoorziening onder voorwaarde dat deze niet gebruikt mag worden bij storing en andere innovaties om het netwerk te ontlasten.

Enexis en TenneT zijn zeker wel actief. Naast de investeringsplannen die reeds lopen (termijn van 2 jaar) wordt op basis van input RES en netvisies nieuwe investeringsplannen gemaakt door zowel Enexis als TenneT.  Er zijn ook ontwikkelingen om meer capaciteit beschikbaar te krijgen op het HS-net door het toepassen van de "snelweg" door N-0 voor teruglevering mogelijk te maken. Curtailment bij zon op land, cable pooling (zon en wind combineren) en opslag. Daarnaast zullen in de toekomst mogelijkheden komen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, ook bekend als congestie management.

Er vindt veel afstemming plaats met Tennet, Enexis en de Gasunie. Er vinden systeemstudies plaats op provinciaal niveau. Daarnaast is er zeker ook landelijke afstemming.
 

Waterstof is een energiedrager. Er zijn mogelijkheden voor de productie van waterstof of voor de opslag van elektriciteit. Op een aantal plekken in de regio vinden kleinschalige pilots plaats. We houden de ontwikkelingen in de gaten en hebben hierin korte lijntjes met partijen als Brainport Development en de TU/e.

De komende maanden doorlopen we een PlanMER-traject, waarin we zorgvuldig naar de zoekgebieden kijken die uit de eerste analyse naar voren zijn gekomen. We gaan onderzoek doen naar de milieueffecten van de keuze van bijvoorbeeld, wind- en zonne-energie in de gebieden. Aan de PlanMER is ook een participatieproces gekoppeld.

Ja, het (bredere) milieuthema ‘netinpassing’ is ook onderdeel van de planMER. Hierin kan bijvoorbeeld meegewogen worden in hoeverre ‘’netstations’’ (daar waar de elektriciteit die zonne- en windparken opwekken op het net moeten worden gekoppeld) in de buurt aanwezig zijn. De ‘nevenschade’ waar u naar verwijst valt buiten de reikwijdte van dit planMER.

De draagkracht van het landschap, de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven zijn leidend geweest voor onze analyse en zijn voor het vervolg ook leidend. Met de gemeenten en externe stakeholders hebben we stap voor stap de volgende vragen doorlopen:
1.    Wat past binnen ons landschap?

2.    Waar zijn kansen voor koppeling met andere opgaven?

3.    Wat is er mogelijk binnen wetgeving?

4.    Wat is de impact op het elektriciteitsnetwerk? Waarbij we een onderscheid kunnen maken tussen de mogelijkheden in aansluiting vóór en na 2030.

Op basis van die analyses zijn alle mogelijke zoekgebieden in beeld gebracht. In de volgende fase gaan we voor al deze gebieden een planMER uitvoeren. In de planMER worden omgevings- en milieuaspecten onderzocht, waaronder ecologie en landschap. En beoordelen we tevens ook de mogelijke koppelingen met brede thema’s die in de concept-RES naar voren zijn gekomen.

Met de gemeenten en externe stakeholders hebben we stap voor stap de volgende vragen doorlopen:

1. Wat past binnen ons landschap?

2. Waar zijn kansen voor koppeling met andere opgaven?

3. Wat is er mogelijk binnen wetgeving?

4. Wat is de impact op het elektriciteitsnetwerk? Waarbij we een onderscheid kunnen maken tussen de mogelijkheden in aansluiting vóór en na 2030.

De zoekgebieden zijn bepaald op basis van de combinatie draagkracht van het landschap, koppeling met andere opgaven, technische en wettelijke beperkingen. De zoekgebieden geven nu het gehele gebied aan waar een bepaalde ontwikkeling mogelijk is. De informatie uit de landschapsstudie van H+N+S heeft als basis gediend voor de eerste 2 stappen. De zoekgebieden in de concept-RES zijn nog globaal. De zoekgebieden zijn ook nog niet precies begrensd en kunnen in oppervlakte wijzigen.

De komende maanden doorlopen we een planMER-traject. In dit traject gaan we zorgvuldig naar de zoekgebieden kijken die uit de eerste analyse van de concept-RES naar voren zijn gekomen. We gaan onderzoek doen naar de milieueffecten van de keuze van wind- en zonne-energie in de gebieden. In de planMER willen we niet alleen kijken naar milieu en omgevingseffecten, maar ook naar de mogelijke koppelingen met de in de concept-RES genoemde bredere thema’s: een vitale agrarische economie, een veerkrachtig natuurlijk systeem, een duurzame en innovatieve economie en een veerkrachtig watersysteem en klimaatadaptatie.

De eerste stap in het planMER-traject is het opstellen van een zogenaamde ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau’ (NRD). In de NRD staat wat er in de planMER wordt onderzocht en hoe dat gaat gebeuren. De concept-NRD ligt sinds 5 oktober voor vier weken ter inzage en is tijdens de inspraakperiode te raadplegen via de website van de provincie Noord-Brabant.

In principe zijn de zoekgebieden vanuit de initiatiefnemers c.q. de 21 gemeenten ingebracht. De gemeenten worden geïnformeerd d.m.v. o.a. presentaties en 1-op-1 gesprekken. Opmerkingen en/of aanvullingen worden meegewogen tijdens de planMER-procedure.

 

Om de zoekgebieden zoals die nu in de concept-RES in de RES 1.0 (of zo nodig richting RES 2.0) te verfijnen tot ontwikkelgebieden, die qua omvang aansluiten op het RES-bod, worden alle zoekgebieden op de milieutechnische (in een PlanMER) en andere relevante aspecten beschouwd. Ook worden alle koppelkansen per zoekgebied in beeld gebracht. Al die aspecten worden met elkaar gewogen om de beste gebieden voor het ontwikkelen van zonne- en/of windparken te komen.

We zien in de SDE+ beschikkingen veel beschikkingen voor zon op bedrijfsdaken. Grootschalige opwek op (agrarische) bedrijfsdaken is in het bod in de Concept-RES verdeeld over:“gerealiseerd of in de pijplijn” en “no regret”. Grootschalige opwek op (agrarische) bedrijfsdaken bedraagt zo’n 25 % bij aan het totale bod in de concept-RES.

De informatie is afkomstig van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Na verificatie is gebleken dat de betreffende locatie geen grondgebonden zonnepark is, maar een grootschalig zonnedak. De duiding wordt daarom van deze kaart verwijderd.

Uiteindelijk is TenneT de doorslaggevende partij bij het bouwen van nieuwe stations. Zonder de goedkeuring en samenwerking met TenneT kan er door Enexis geen nieuw HS/MS-station geplaatst worden. Bij het bouwen van een nieuw station dient er een substantiële opwek potentie te zijn (te denken valt aan minimaal 300MW aan opwek).” Er wordt dus inderdaad 300 MW bedoeld. Het gaat hierbij om het piekvermogen wat nodig is, want daar leggen wij onze netten op aan. Het gaat om een combinatie van wind en zon en niet alleen grootschalig, maar ook de kleinschalige projecten die ook daarbij opgeteld worden. Deze zijn immers via de kleinere LS/MS-stations ook weer gekoppeld aan onze grotere MS/HS-stations die we samen met TenneT hebben. Om een nieuw station te bouwen zal een rechtvaardiging nodig zijn en een flinke hoeveelheid vermogen die niet op een andere manier op te lossen is (via uitbreidingen van stations of het aansluiten op een verder gelegen station waar nog ruimte is).

Het gaat om 15KWp, alle installaties groter dan 15 KWp tellen namelijk mee voor de 35 TWh RES doelstelling. Is dus een definitie kwestie binnen NPRES.

De afbeelding is door Nationaal Programma gemaakt om een beeld te geven van hoeveel 1 TWh is. Voor de analyses in de concept-RES, daar waar contouren afhankelijk zijn van de dimensies van windturbines, is uitgegaan van een 5,5 MW windturbine met een ashoogte van 165m en een rotordiameter van 150 m. Als representatieve aantal vollasturen voor deze regio en type windmolen wordt 2.047 uur gehanteerd. De gemiddelde opbrengst van een dergelijke molen is derhalve 11,3 GWh per jaar.

Geluidgevoelige objecten (woongebouwen) zijn beschermd door de eisen vanuit het Activiteitenbesluit. De effectieve afstand tussen windturbines en woningen waarbij aan de geluidsnormen wordt voldaan is afhankelijk van het type windturbine, de meteo-omstandigheden en het terrein. Daarvoor wordt voor geluid een vuistregel gehanteerd van 400m tussen windturbines en geluidgevoelige objecten.

Hier hebben we in onze ruimtelijke analyse nadrukkelijk aandacht voor. Zie bijlage 6 van de concept-RES.

We zijn ook gevraagd om een doorkijk te maken naar andere bronnen. In het vervolg van deze RES gaan we zeker aan slag om ook naar andere alternatieven te kijken. Tot aan 2030 kijken we naar wind en zon om onze bijdrage te bepalen.

Er zijn verschillende ontwikkelingen met betrekking tot energieopslag. We houden deze ontwikkelingen in de gaten. Hierbij werken we samen met Brainport Development.

Enexis kijkt ook zeker naar de capaciteit. Wat is het nu, wat kunnen we verwachten en waar is uitbreiding nodig.

We zijn nu het proces aan het vormgeven waarbij de vraag moet worden beantwoord wat realistisch en haalbaar is in onze regio. Belangrijk leidend principe is hoe we omgaan met de ruimtelijke vertaling van het opwekken van energie met name via wind en zon.

Windturbines of zonneparken in of nabij Natura2000 gebieden mogen geen significante effecten hebben op de daar aangewezen planten- en diersoorten. Vergelijkbaar geldt voor Nationaal Natuurnetwerk. In het vervolgonderzoek worden de milieueffecten van de zoekgebieden onderzocht. Op basis van dit onderzoek kunnen (delen) van zoekgebieden wegvallen.

Dit onderwerp komt aan bod in het hoofdstuk Warmte.

Kleinschalig zon-op-dak installaties met een vermogen van 15 kWp en minder, worden in het Klimaatakkoord niet meegeteld voor het 35 TWh doel. Met de autonome groei van kleinschalig zon op dak tot ongeveer 7 TWh, is al rekening gehouden in de CO2-doelstellingen. We onderzoeken de mogelijkheden om zon op dak te stimuleren en bewoners aan te zetten/te bewegen tot besparing en duurzame opwek van energie (hoofdstuk besparing).

De raadsbehandeling voor de openstelling van zoekgebieden voor grootschalige zonne- en windenergie staat, afhankelijk van de betreffende gemeente, gepland in de periode van april t/m september 2020. Aangezien de zoekgebieden nog niet waren vastgesteld ten tijden van de finale versie van de concept-RES, wijken deze gedeeltelijk af.

Kleinschalig zon-op-dak installaties met een vermogen van 15 kWp en minder, worden in het Klimaatakkoord niet meegeteld voor het 35 TWh doel. Met de autonome groei van kleinschalig zon op dak tot ongeveer 7 TWh, is al rekening gehouden in de CO2-doelstellingen.

We onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om zo veel mogelijk grootschalige daken op termijn vol te kunnen leggen met zonnepanelen. Ook de mogelijkheden om dergelijke voorwaarden aan de voorkant te verankeren worden hierbij meegenomen. We geven ook randvoorwaarden mee aan het Rijk.

We schatten in dat met de ‘no regret’-maatregelen (dus zonnepanelen op grote daken, boven niet overdekte parkeerterreinen en zonnevelden op ‘restruimten’ als gebieden bij vliegvelden of bermen en taluds bij snelwegen)  circa 0,2 TWh gerealiseerd kan worden.  

We streven ook naar zo veel mogelijk zon op dak. Die opwek is niet voldoende. De landelijke opdracht voor opwek van 35 TWh houdt al rekening met veel zon op dak. De 35 TWh komt daar dus bovenop. 

Op dit moment is het niet verplicht om zonnepanelen op daken te plaatsen. We onderzoeken de mogelijkheden om zon op dak te stimuleren en doelgroepen aan te zetten/te bewegen tot besparing en duurzame opwek van energie.

Waterstof is een energiedrager en geen energiebron. Er zijn mogelijkheden voor de productie van waterstof of voor de opslag van elektriciteit. We houden de ontwikkelingen in de gaten. We stemmen hierin ook af met partijen als Brainport Development en de TU/e.

De beperkingen hebben betrekking op de netcapaciteit. Overal in Nederland zal geïnvesteerd moeten worden in netuitbreiding om de energie die we gaan opwekken goed te verdelen. Samen met Enexis en andere partners gaan we de intenties op het gebied van duurzame opwek concretiseren en afstemmen.

De A50 is als zoekgebied aangewezen in het kader van energie langs infrastructuur: “We zien met name kansen langs de snelwegen die onze regio doorkruisen, de A2, A50, A58 en de A67.” Genoemde snelwegen duiden we aan als ‘energiecorridor’. Met energiecorridor bedoelen we dat we de mogelijkheden onderzoeken nabij de infrastructurele lijnen voor de toepassing van duurzame energieopwekking.

De zoekgebieden zijn bepaald op basis van de combinatie draagkracht van het landschap, koppeling met andere opgaven, technische en wettelijke beperkingen. De zoekgebieden geven nu het gehele gebied aan waar een bepaalde ontwikkeling mogelijk is. Daarbij is er op basis van draagkracht van het landschap al een onderscheid van de intensiteit van zonneparken. Die is het hoogste bij ‘langs infrastructuur’ en ‘agroclusters’ en het minste in zoekgebieden zoals beekdalen en ‘energie als kans voor landschapsherstel’. Zoekgebieden ‘energie voor natuur’ zitten daar tussenin. Gelet op de verfijning van de zoekgebieden die in de volgende stap, de PlanMER, wordt gezet, is op basis van ervaringen in De Kempen (waar die PlanMER al is uitgevoerd), maar 1/5 van het opwekpotentieel meegenomen in het bod voor grootschalige opwek in de Concept-RES.   


Grootschalig zon op daken (categorie ‘no-regret’)
Het benutten van daken van (agrarische) bedrijfsgebouwen voor grootschalige opwek met zonnepanelen kan inmiddels op brede maatschappelijk steun rekenen. Vandaar dat voor dit aandeel de term ‘no-regret’ is gekozen. Voor een PV-installatie op bedrijfsdaken kan vaak de reeds aanwezig grootverbruik aansluiting worden gebruik. Voordeel hiervan is dat de opwek ook gelijktijdig gebruikt kan worden. Daarnaast is de montageconstructie van een plat dak opstelling goedkoper als een die van een veldopstelling. Landschappelijke inpassing, die ook extra grond vergt, hetgeen doortelt in de kosten van de grondvergoeding, is hier niet aan de orde. Ook hekwerken en beveiliging zijn niet aan de orde. Ook zijn de vergoedingen voor het huren van een bedrijfstak van een andere orde als de grondvergoedingen voor een zonnepark. Daardoor zijn PV-installaties op bedrijfsdaken, die in verhouding tot zonneparken aanzienlijk kleiner zijn, vaak rendabel.


Zonneparken in grondopstelling
Het voorzien in een bepaalde hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit op land, landelijk 35 TWh in 2030, vraag van ons allen iets. Natuurlijk heeft de energietransitie impact op de omgeving. Daarom hebben wij dit in de MRE-regio van begin af aan benaderd op basis de draagkracht van de verschillende landschapstype in regio. Hoe kunnen wij zonne- en windparken daar landschappelijk verantwoord een plek in geven. In de verdere verfijning richting RES 1.0 kijken we naar de milieueffecten en de koppeling met andere opgaven, zoals klimaatadaptatie, de Transitie landelijk gebied, kringlooplandbouw, het financieren van natuurontwikkeling met de opbrengsten van zon en/of wind. Recent stond een artikel in de krant over kwekers van zacht fruit die veel heil zien in het kweken van dit zacht fruit onder hoog opgestelde zonnepanelen. Die beschermen namelijk tegen harde regen, hagel en hitte.
Zoals ook in de evaluatie van beleid zonneparken is dubbel grondgebruik een must en zullen alleen de beste plannen vergund worden. Op deze wijze borgen wij zowel regionaal als lokaal dat wij zorgvuldig omgaan met de gronden in het buitengebied.

Dat zijn gebieden/locaties die vanwege specifieke kenmerken met name geschikt zijn om energie op te wekken en waarbij duurzame energie-opwek de belangrijkste functie is. Op de kaart met no regret-maatregelen (figuur 4.8) zijn mogelijke energielandschappen aangegeven aan de oostzijde van Deurne en aan de zuidkant van de gemeente Cranendonck.


Voor de ‘zoekgebieden’ zoals opgenomen in de concept-RES ligt het accent op de combinatie met andere opgaven en functies, zoals energie voor versterking agrarische economie, energie voor natuurontwikkeling of is energie zelfs ondergeschikt aan een andere opgave. In deze fase van het proces (concept-RES) gaat het nog om een eerste onderbouwing. In de komende periode wordt dit verder uitgewerkt richting een meer concrete invulling van de gebieden/locaties.

Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend. We hebben geen verdeling afgesproken over de gemeenten.

Dat zijn gebieden/landschappen die met name geschikt zijn om energie op te wekken en waarbij energie-opwek de belangrijkste functie is. Op de kaart met no regret-maatregelen (figuur 4.8) zijn mogelijke energielandschappen aangegeven aan de oostzijde van Deurne en aan de zuidkant van de gemeente Cranendonck.

In de periode voorafgaand aan deze concept-RES zijn diverse partijen op verschillende momenten geïnformeerd en geconsulteerd/bevraagd over en meegenomen in de achtergrond, de opgave en het proces van de RES. In het proces naar de RES 1.0, in de 2e helft van 2020 en in de 1e helft van 2021, gaan we opnieuw in gesprek met partners, inwoners en belanghebbenden. Daartoe behoren ook de initiatiefnemers van het Van Gogh Nationaal Park (VGNP) in wording. De leidende  principes van VGNP sluiten bovendien goed aan bij de leidende principes van de concept-RES (versteken natuur en landschap, geef perspectief aan boeren en voedsel, gezonde woon-  en werkomgeving).

Opslag 
In het kader van de energietransitie zal zeker ook gekeken gaan worden naar opslag van energie, ook in relatie tot de (capaciteit) van de netinfrastructuur. Ook in de Brainport Nationale Actie-agenda zijn acties benoemd op het gebied van conversie en opslag van energie (batterijen, waterstof en metal fuels), iets waar we in het kader van de RES ons voordeel mee kunnen doen.
 

Thoriumcentrales 
Voor nieuwe concepten van kernenergie (zoals op basis van thorium als splijtstof in plaats van het gebruikelijke uranium) is nog veel onderzoek nodig. Thoriumreactoren zijn nog nergens commercieel gerealiseerd; volgens Nederlandse deskundigen kan dat nog wel enkele decennia duren. Het is dus praktisch onmogelijk om voor 2030 commerciële thoriumreactoren in bedrijf te hebben, en zelfs 2050 lijkt lastig haalbaar.

Voor vliegverkeer gelden diverse beperkingsvlakken. Daarbij worden enkel de zogenaamde funnels als harde beperking opgenomen omdat de bijbehorende bouwhoogtebeperking zorgt voor het uitsluiten van de bouw van windturbines. In de toetsingsvlakken zal eerst toestemming verkregen moeten worden om in het betreffende gebied windturbines te bouwen. In de zoekgebieden die in de zogenaamde funnels liggen zullen geen windturbines gerealiseerd kunnen worden, maar is enkel potentie voor zonneparken.

In de concept-RES is nog geen keuze gemaakt waar welke vorm van duurzame energieopwekking gerealiseerd wordt. Uitgangspunt is om een zorgvuldige afweging te maken voor windturbineparken en zonneparken. Denk aan maximaal gebruik maken van de zonneladder en te zoeken naar de no regret-maatregelen. Uiteindelijk zal een combinatie van vormen als windturbineparken, zonnevelden en grootschalige zonnedaken nodig zijn.

Er zijn proeven om dergelijke toepassingen van zonneparken te onderzoeken. We houden dergelijke ontwikkelingen in de gaten. We hebben in de concept-RES bovendien nadrukkelijk aandacht voor het concept van meervoudig ruimtegebruik en innovatie. Op het moment dat zonneparken gerealiseerd worden moet onderzocht worden wat de beste inpassing van het gebied is en op welke wijze aandacht besteed wordt aan bijvoorbeeld meervoudig ruimtegebruik.

Kernenergie is geen oplossing voor de korte termijn. Op dit moment zijn er geen bedrijven die hierin willen investeren en de bouw van een centrale duurt ongeveer 20 jaar. De regio kijkt naar oplossingen waar we invloed op hebben én binnen de mogelijkheden van de regio liggen. Bij kernenergie komt bovendien de Tweede Kamer in beeld. Die moet dan besluiten om kernenergie wel of niet mogelijk te maken, bijvoorbeeld met wetgeving, financiering van onderzoek of subsidies.

Geothermie en aquathermie krijgen zeker ook aandacht. Deze worden meegenomen in het onderdeel Warmte.

Ja, grootschalige opwekking op bestaande bebouwing/daken wordt als optie meegenomen; het betreft binnen de zoekgebieden binnen de categorie ‘no regret’. We schatten in dat met de ‘no regret’-maatregelen 0,2 TWh gerealiseerd kan worden.  

Kleinschalig zon-op-dak installaties met een vermogen van 15 kWp en minder, worden in het Klimaatakkoord niet meegeteld voor het 35 TWh doel. Met de autonome groei van kleinschalig zon op dak tot ongeveer 7 TWh, is al rekening gehouden in de CO2-doelstellingen.

Garantstellingen en leningen kunnen onze inwoners hierbij helpen. Inderdaad is het een grote opgave en moeten we realistisch omgaan met het ambiëren van lokaal eigenaarschap.

In het Klimaatakkoord wordt de ambitie voorgelegd om te streven naar 50% lokaal eigendom. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de samenleving en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin. We hebben als regio de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. Lokaal eigendom en financiële participatie bij duurzame opwek zien wij dan ook als een voorwaarde ten dienste voor onze inwoners. Richting RES 1.0 wordt dit onderwerp uitgewerkt. We willen gemeenten handvaten aanreiken om zelf een afweging te maken voor beleid op het gebied van financiële participatie.

Een energietransitie voor iedereen betekent ook dat we iedereen de kans willen bieden om te profiteren van de wind- en zonne-energie die we in onze regio opwekken. In het Klimaatakkoord staat het uitgangspunt/streven naar 50% lokaal eigendom van de nieuwe zonne- en windparken benoemd. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de samenleving en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin. We hebben als regio de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. Per gemeente zal verschillend worden aangekeken tegen de rol die de gemeente wil spelen. Voor ieder project en lokale situatie kan de afweging tussen rendement en risico voor de maatschappij een andere uitkomst hebben. We willen daarom komen tot basisinformatie en handvaten voor gemeenten om zelf die afweging te maken. Hiervoor is een werkgroep financiële participatie ingericht.

Door opwekking te koppelen aan andere opgaven, zoals binnen de landbouw en klimaatadaptatie.

We moeten een heel zorgvuldig proces met elkaar doorlopen. We houden rekening met de ruimte en de omgeving. Nu zijn er nog geen doorrekeningen gemaakt. Als eerste is bekeken wat er kan plaatsvinden aan duurzame opwek aan elektriciteit en wat de mogelijkheden zijn voor duurzame warmtebronnen.

Lokaal eigendom en financiële participatie bij duurzame opwek zien wij als een voorwaarde ten dienste voor onze inwoners. Richting RES 1.0 wordt dit onderwerp uitgewerkt.

Uitgangspunt is dat we streven naar maximale financiële participatie. Per gemeente zal verschillend worden aangekeken tegen de rol die de gemeente wil spelen. Voor ieder project en lokale situatie kan de afweging tussen rendement en risico voor de maatschappij een andere uitkomst hebben. We willen daarom komen tot basisinformatie en handvaten voor gemeenten om zelf die afweging te maken.

In de concept-RES worden nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de lusten en lasten. In het Klimaatakkoord wordt de ambitie voorgelegd om te streven naar 50% lokaal eigendom. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de samenleving en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin. We hebben als regio de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. Richting RES 1.0 wordt onderzocht hoe en of we dit regionaal kunnen vastleggen. De huidige wet- en regelgeving biedt weinig ruimte om ruimtelijke opgaven met sociale aspecten, financieel van aard, af te dwingen bij ontwikkelaars. Lokaal eigendom en financiële participatie bij duurzame opwek zien wij als een voorwaarde ten dienste voor onze inwoners. Richting RES 1.0 wordt dit onderwerp uitgewerkt.

Hoeveel de energietransitie ons precies gaat kosten, weten we nog niet. Maar dat er flinke investeringen gedaan moeten worden, is duidelijk. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de organisatie die door het Rijk als onafhankelijke rekenmeester wordt ingeschakeld, heeft recent becijferd dat er in 2030 zo'n 2 tot 3 miljard euro per jaar extra nodig is om de klimaatdoelen uit het regeerakkoord te halen.

Voor de maatschappelijke acceptatie is het nodig om te sturen op kosten efficiëntie. Maar naast financiële aspecten zullen ook andere aspecten worden meegewogen zoals ruimtelijke, milieukundige, sociale, economische etc. Uiteindelijk gaat het erom dat de energietransitie voor iedereen, inwoners, ondernemers, overheden en maatschappelijke organisaties, haalbaar en betaalbaar wordt. En dat de lasten en lusten wel overwogen worden verdeeld. De uitgangspunten hierover in het Klimaatakkoord zijn hierbij richtinggevend. In het kader van de RES zullen we hier aandacht aan moeten besteden dor zo goed mogelijk de effecten van oplossingen in beeld te brengen en af te wegen.

Zie hierboven: deze keuzes liggen bij de gemeenten zelf. Wel zorgen we voor basisinformatie en tools om de gemeenten te helpen in om zelf een goed proces te kunnen doorlopen om te komen tot beleidskeuzes.

Uitgangspunt is te zorgen dat de energietransitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar is en dat we streven naar maximale financiële participatie. Per gemeente zal verschillend worden aangekeken tegen de rol die de gemeente wil spelen. Voor ieder project en lokale situatie kan de afweging tussen rendement en risico voor de maatschappij een andere uitkomst hebben. We willen daarom komen tot basisinformatie en handvaten voor gemeenten om zelf die afweging te maken.

Diverse gemeenten ondersteunen innovatieve ontwikkelingen, bijvoorbeeld in Brainport Smart District. Als burger kun je hier zelf ook in participeren.

Er is voor gekozen om inwoners in een vroegtijdig stadium van het RES-proces te informeren. Onderzoeken zijn nog abstract en op veel vragen hebben we nog geen antwoorden. Wel zijn in de concept-RES afspraken gemaakt over wat gemeenten, provincie en waterschappen belangrijk vinden. Daaronder valt ook zorgvuldige participatie en heldere communicatie. Dit houdt in dat er geen keuzes worden gemaakt zonder dat burgers op een heldere manier hun reactie of inbreng is gevraagd. Uiteindelijk zullen de bevoegde instanties, zoals gemeenteraden, de keuzes moeten maken, maar dan wel in een proces waarin zij de inbreng van burgers kunnen meewegen in de te nemen besluiten. Op www.energieregiomre.nl kunt u de actuele agenda met informatie-bijeenkomsten raadplegen, waarin u kunt vragen om extra toelichting, mochten voor u nog zaken onduidelijk zijn. Ook kunt u bij uw gemeente vragen om een toelichting over de lokale situatie.           

 

Uiteindelijk beslissen 21 gemeenteraden, de waterschappen en de provincie over wat zij afspreken binnen de RES. Wat betreft de ontwikkeling van projecten voor het opwekken van energie uit zon en wind is binnen de RES MRE nu afgesproken om nader onderzoek te doen. Op basis van dit onderzoek kunnen o.a. gemeenteraden zich straks uitspreken over de vervolgstappen. Dit wordt gedaan vanuit de opdracht van het Rijk om landelijk 35TWh aan duurzame energie via zon en wind op te wekken. Op dit moment tellen de 30 concept-RESsen op tot meer dan die landelijke doelstelling. De verwachting is dat de houding van de Rijksoverheid ten opzichte van de keuzes, die gemeenteraden in onze regio maken, zal afhangen van de mate waarin de landelijke ambitie in het gedrang komt en hoe groot de potentie is van de mogelijkheden in deze regio om bij te dragen aan de doelstelling (ook in verhouding tot andere projecten in het land). De ervaring in Drenthe leert dat overheden tegenover elkaar kunnen komen te staan en de rechter om een uitspraak wordt gevraagd.

Met de betrokken stakeholders, zoals de energiecoöperaties, woningcorporaties, BMF, ZLTO, TU/e, Fontys, VNO/NCW en de BOM, zijn we in gesprek om samen te verkennen hoe we (als geheel) kunnen en willen samenwerken om te komen tot een versnelling in de energietransitie. Deze groep zien we als adviesgroep. Tussentijds vinden themagewijs voor specifieke groepen stakeholders inhoudelijke werkateliers plaats die vanuit de werkgroepen worden georganiseerd.

Verschillende stakeholders, zoals de BMF, hebben reeds input geleverd. Onze reactie op de brief van de BMF is terug te vinden op onze website. Ook in het kader van het planMER-traject is er volop gelegenheid om input te leveren. Uiteindelijk zullen de volksvertegenwoordigers moeten komen tot een afweging van de verschillende belangen.

We hebben in de werkateliers met name gesproken met georganiseerde stakeholders, zoals de BMF, Staatsbosbeheer, ZLTO en lokale energiecoöperaties. In de volgende fasen van de RES komen we tot verdere concretisering en dan zal het ook gaan over haalbaarheid van initiatieven, waarbij ook naar financiële haalbaarheid moet worden gekeken.

Gemeenten proberen via verschillende kanalen inwoners te motiveren.

Het zou fijn zijn als inwoners die actief mee willen denken zich zouden melden. Dan kunnen wij ook uitnodigingen sturen voor de bijeenkomsten die wij nog gaan organiseren.

21 gemeenten maken samen met de waterschappen en provincie de RES. In de weg die daarvoor wordt bewandeld hebben ook de jongeren toegang tot invloed op dit proces. In de regio en via de gemeenten krijgen inwoners de gelegenheid tot inspraak. Daarnaast is er al door de BMF een internetpeiling geweest en daaruit is een groep van meedenkende jongeren geformeerd. We zijn ook met Jong RES in gesprek.

We zijn ons proces richting RES 1.0 en verder nog aan het inrichten nu. We willen nu sterker in gaan zetten op participatie. Een deel zal via inhoudelijke werkateliers zijn en voor een deel zal dit in de vorm van consultaties zijn. Er vindt ook overleg plaats met Jong RES, waarin jongeren zich hebben verenigd om hun stem te laten horen in de RES-sen.

Wat betreft verduurzaming (wat kun je zelf doen?) staat veel informatie op www.milieucentraal.nl. Voor meer informatie over verduurzaming van uw huis kunt u ook terecht bij Energieloket Zuid-Oost Brabant

 

Fijn dat u betrokken wilt zijn. U kunt uw naam per e-mail doorgeven.

Gedurende de MER-procedure organiseren we regelmatig werkateliers voor stakeholders. Daarnaast zullen we op regionaal niveau inloopbijeenkomsten organiseren voor geïnteresseerden. Op deze bijeenkomsten geven we, afhankelijk van de vordering in het traject, informatie over het proces en inspraakprocedure, toelichting over de vorderingen, toelichting op opgeleverde documenten en informatie over de uitkomsten van het planMER. Naarmate de zoekgebieden concreter worden, zullen gemeenten op lokaal niveau participatietrajecten opstarten om hun eigen inwoners te informeren en betrekken.

De woningcorporaties zijn als stakeholder in het proces aangehaakt en betrokken in de werkateliers. Richting RES 1.0 zijn wij met de woningcorporaties in gesprek om de juiste samenwerking invulling te geven.

De gemeenteraden van alle 21 gemeenten streven ernaar om de concept-RES voor september te bespreken in de gemeenteraden.

We hebben een digitale ‘flitspeiling’ uitgevoerd over het onderwerp energietransitie. De resultaten daarvan zijn te vinden in bijlage 4 van de concept-RES. Daarnaast is in samenwerking met de BMF een jongerenpeiling uitgevoerd.

De decentrale overheden in de regio (gemeenten, waterschappen en provincie) maken samen een RES in hun RES-regio. De gemeenten en provincies besluiten zelf over de verankering van de RES in hun Omgevingsbeleid (Omgevingsvisie, Omgevingsplan/Omgevingsverordening).

We zullen nooit iedereen bereiken. Wel proberen we, onder andere ook via digitale flitspeilingen, in contact te komen met zoveel mogelijk inwoners.

We zien de concept-RES als een tussenstap in het proces, waarin we als regio de koers uitzetten. De verdere concretisering gebeurt in de volgende fase, om te komen tot een RES 1.0. Op basis van de concept-RES starten we deze zomer een planMER traject, waarin alle milieu-effecten bij inpassing van duurzame opwekking van energie in beeld worden gebracht. Ook andere ruimtelijke, economische, sociale en politiek-bestuurlijke overwegingen worden in kaart gebracht. Dan vindt ook verdere consultatie plaats van stakeholders en inwoners.

In de komende periode moet dit nader worden uitgewerkt. Voor een succesvolle uitvoering van de RES zijn aanvullende instrumenten, regels en middelen noodzakelijk om de projecten en afspraken uit deze RES tot stand te kunnen brengen. In de concept-RES hebben we aan het Rijk gevraagd om ‘zon op dak’ extra te stimuleren door bijvoorbeeld subsidie te verlenen voor ‘niet-aan-het-net-leveren’, ‘zon op bedrijfsdaken’ te stimuleren door verplichtingen bij nieuwbouw en financiële impulsen, het voor particulieren aantrekkelijk te maken om meer zonne-energie op te wekken dan voor eigen gebruik nodig is.

De fase tot aan concept-RES stond met name in het teken van de analyse. Dit heeft kaarten met zoekgebieden opgeleverd, en een inventarisatie van warmtevraag en beschikbare warmtebronnen. Om inwoners hierover te informeren stond eerder een brede bijeenkomst gepland voor inwoners, namelijk op 11 maart in het Evoluon, maar in verband met de maatregelen rondom de corona-crisis, mocht deze niet doorgaan. Hiervoor in de plaats is op 4 juni een webinar georganiseerd over de concept-RES voor inwoners van de 21 MRE-gemeenten.

De komende fase, naar RES 1.0, worden inwoners intensiever betrokken. Voor het onderdeel Grootschalige opwek wordt, voortbouwend op de inhoudelijke analyse in de concept-RES, een planMER-procedure doorlopen, waar het participatieproces een belangrijk onderdeel is.

Daarnaast loopt de communicatie naar bewoners ook met name via de gemeenten. Er zijn veel voorbeelden van gesprekken die zijn gevoerd vanuit de diverse gemeenten met inwoners, zoals bijvoorbeeld de energiesafari’s in de Kempen, de energiedialoog in Helmond en de verschillende pilotprojecten op het gebied van duurzame warmte in Eindhoven.

In het Factsheet Electriciteit vindt u beknopte objectieve informatie over de eigenschappen van de energiebronnen en aandachtspunten. Er wordt ingegaan op windenergie, zonne-energie, biomassa, kernenergie, waterkracht en waterstof. Voor de RES doelstelling van landelijk 35 TWh ligt de focus op zon- en windenergie, omdat dit bewezen technieken zijn en vóór 2030 voldoende resultaat opleveren.

In het Factsheet Warmte vindt u beknopte objectieve informatie over de eigenschappen van de energiebronnen en aandachtspunten. Er wordt ingegaan op restwarmte, geothermie, aquathermie, biomassa, groengas en waterstof.

Cookie-instellingen